Australië

Het is mooi weer, er drentelen wat wandelaars op de dijk. Zoals zo vaak kijken ze rond, bespreken het mooie op de dijk. Als ze mij in de hal ontwaren, zoeken ze contact. Ik open de deur, ze vragen of ze binnen mogen komen. “Ik heb hier in de oorlogswinter gewoond. Mag ik aan mijn dochter en schoonzoon laten zien hoe het binnen is?” Uiteraard mag dat, ook al is er in dit nieuwbouwhuis niks meer terug te vinden van de bedstee, de kelder en de drogende ham aan de zoldering.
Ze komen gedrieën binnen, de vader gaat vertellen. Het is een Marinus Koedijk, hij woont al sinds 1952 in Australië, zijn dochters zijn er geboren. De ene woont nu in Ierland, de ander, Terri vergezelt hem nu, samen met zjn schoonzoon John Zwartkruis, in Nederland.
Zijn vader heette Martinus (Tinus) Koedijk. Het gezin woonde in Haarlem. Tijdens de oorlogswinter reisde zijn vader met de drie van zijn kinderen per (PTT-)vrachtauto naar Zwolle en lopend kwamen zij naar Holten met de vraag aan zijn broer Anton of hij zijn jongens bij hen achter kon laten, ze hadden thuis te weinig te eten. Maar het huisje is klein, naast het vee woonden er ook nog vijf dochters, dus na achterlating van 15 jarige Marinus trok de vader door naar een andere Koedijk in Streukel om daar de andere kinderen chter te laten. Maar voor dat zij doortrokken, werd er gegeten. “Oom Anton pakte een stuk vlees, wat aan de zolder te drogen hing, en sneed er plakken af. En toen we het op hadden, kregen we nog meer. We dachten in het paradijs te zijn aangekomen”
Marinus beleefde een mooie tijd op de dijk. Zijn oom Anton was naast dat hij boer was ook timmerman. Het boerenwerk werd soms samen met de buurjongens Meuleman gedaan. “Ze vormden hier een community.” De buurjongens waren groot en sterk, zo rond de 30 jaar, en omdat ze op de boerderij niet gemist konden worden, werden ze niet door de bezetter te werk gesteld.

Als er geslacht moest worden, gebeurde dit op de dijk. Als er gemaaid moest worden, was men met het stuk land tussen het huis en het Zwartewater, wel drie weken bezig.
Op enig moment kwamen Duitse soldaten in de buurt. Tante zei: “Ga jij het land maar in.” Op hun vraag of er nog jongens in huis waren, kon tante daarom ook ontkennend antwoorden. Ze sliepen in de hilde, boven het vee. In het stro, “Jeuk kreeg je er wel, want het zat vol luizen.” De wc was buiten, en als de zon scheen gingen ze buiten in de teil.
De dijk was bedekt met grind, en iedere zaterdagmiddag moest dit netjes aangeharkt worden. “Op zondag gingen we samen lopend naar de kerk.”

Kort na dit bezoek had ik opnieuw gasten. Dit keer een wat jonger stel uit Emmen. “Mjn oma, Betsie Koedijk, is hier geboren. Mag ik aan mijn vrouw laten zien waar vroeger de bedstee was?” Tijd voor een wat langer bezoek had ik niet, maar misschien komen ze nog eens in mijn B&B logeren 😉

Dit vind je misschien ook leuk...